foto spiegeling, internetformaat met logo-229fdeb9-3204-447b-aeef-992f995fa8b9.jpg
Eerstelijnszorg 12-10-2016

Jan Broeren: dialoog essentieel voor voortbestaan preferentiebeleid

“Voor de toekomst van het preferentiebeleid voor medicijnen is het samenwerken van zorgverzekeraars met partijen in het veld en elkaar daarbij aanspreken op verantwoordelijkheden essentieel. Denk bij die partijen bijvoorbeeld aan de voorschrijvers, maar ook vertegenwoordigers van patiënten. Een deel van de besparingen op geneesmiddelen als gevolg van de preferentieafspraken zal dan ook naar die partijen moeten gaan, anders krijg je die samenwerking niet.” Dat vindt Jan Broeren, sinds begin van dit jaar voorzitter van Generieke Leveranciers Nederland (GLN) en daarvoor gedurende 35 jaar beleidscoördinator bij VGZ.

We spreken Broeren ter gelegenheid van het 10-jarig bestaan van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Hij is een van de vele sleutelfiguren die een rol heeft gespeeld en dat nog steeds doet rond een belangrijk thema van de Zvw: het preferentiebeleid* voor medicijnen. Dit beleid van de zorgverzekeraars leverde sinds de start in 2008 een besparing op van miljarden euro’s. Het is het meest tastbare voorbeeld van wat inkoop door zorgverzekeraars teweeg kan brengen. “Ik wil de actie nog zien in de zorg die eenzelfde succes heeft. Ik denk dat die er niet is”, stelt Broeren.

Premie betaalbaar houden
Tegenwoordig behartigt Broeren de belangen van kleine generieke fabrikanten als voorzitter van GLN en is hij onder meer adviseur bij DSW op het gebied van farmacie. Maar toen het preferentiebeleid ontstond, was hij als beleidscoördinator bij VGZ vertegenwoordiger van één van partijen die een rol speelde. Dat begon al ruim vóór de komst van de Zvw. “Eind jaren negentig, begin deze eeuw gingen heel veel grote medicijnen uit patent. Bovendien werd duidelijk dat apothekers daar gigantische kortingen op kregen die het merendeel van de apothekers niet doorberekende aan de verzekerden. Het ging al gauw om kortingen van zo’n 70 procent die buiten het zicht van verzekerden en zorgverzekeraars bleven.” De voornaamste reden om deze situatie aan te pakken was om de zorgpremie betaalbaar te houden. “Bij VGZ hoeven verzekerden tegenwoordig bijvoorbeeld geen eigen risico te betalen bij preferente geneesmiddelen. Die merken dat dus direct in hun portemonnee.” Ook wanneer verzekerden wel eigen risico moeten betalen over preferente geneesmiddelen, blijft een voordeel bestaan. Hoe lager de prijs van het medicijn, hoe minder geld er uit het eigen risico betaald wordt. Ter vergelijking: een pakje maagzuurremmers van zo’n 99 cent kost tegenwoordig minder dan een pakje kauwgom.

Een belangrijk moment op weg naar het preferentiebeleid vindt Broeren een speciaal programma in 2000 voor zorgverzekeraars. Het programma draaide om het ontwikkelen van inkoopkracht van zorgverzekeraars op het gebied van farmacie en werd mogelijk gemaakt door het ministerie van VWS. Ook onder andere de Ziekenfondsraad was erbij betrokken. “Dat is cruciaal geweest, ik vind dat de essentiële stap. Daar vond de grote kentering plaats omdat zorgverzekeraars zich meer bewust werden van de kracht en de rol van inkoopbeleid.”

Medicijntekorten overdreven
Rond het thema preferentiebeleid is het niet alleen rozengeur en maneschijn. Medicijntekorten zijn tegenwoordig regelmatig in het nieuws en worden nogal eens toegeschreven aan het preferentiebeleid. Broeren is het daar grondig mee oneens: “Er zijn medicijntekorten als een bepaalde stof niet verkrijgbaar is op de Nederlandse markt. Bij veel zogenaamde tekorten is dit niet aan de orde, maar is één merk met zo’n stof niet leverbaar terwijl er nog wel andere merken beschikbaar zijn. Apothekers switchten daar vroeger probleemloos mee, maar als het nu toevallig gaat over een middel dat onder preferentiebeleid valt, is Leiden in last. Maar ze mogen wel degelijk switchen binnen het preferentiebeleid.” Volgens Broeren is de lijst op basis van meldingen van de apothekers met de momenteel ongeveer 750 tekorten niet reëel. “Bij GLN zien we dat een zeer beperkt aantal middelen echt niet leverbaar is, maar zeker geen 750. Leveringsproblemen en tekorten worden door elkaar gegooid. Als je het over echte tekorten hebt gaat het misschien maar over 10 middelen.” GLN heeft overigens net als onder meer de brancheorganisatie van de apothekers KNMP, zitting in de werkgroep tekorten, die problemen over tekorten wil oplossen. “Je moet er alles aan doen om de onrust in de samenleving over dit onderwerp weg te nemen.”

Blijvertje
Broeren vindt en verwacht dat het preferentiebeleid een blijvertje is. “Als het niet blijft bestaan, kruipen de prijzen toch weer omhoog. Ik verwacht dat er dan zo’n 10 tot 20 procent bovenop de huidige prijzen komt die nu gelden binnen het preferentiebeleid.” Wel ziet hij dat het aantal middelen dat nog niet in het preferentiebeleid zit en dat wel in aanmerking komt, beperkt is. Maar essentieel vindt Broeren dat als zorgverzekeraars kijken naar preferentiebeleid, ze dit niet alleen doen. Voor het draagvlak en duurzaam beleid acht hij het van groot belang dat zorgverzekeraars ook vertegenwoordigers van patiënten, artsen en fabrikanten meenemen in de ontwikkeling van preferentiebeleid. Als recent voorbeeld hiervan noemt hij de samenwerking tussen VGZ en de patiëntenvereniging waarbij nieuwe gebruikers van insuline een betrouwbare en goede variant krijgen die een stuk goedkoper is. 

* De overheid bepaalt welke geneesmiddelen onder het basispakket van de zorgverzekering vallen. Zorgverzekeraars zijn verantwoordelijk voor goede en doelmatige zorg, ook als het over geneesmiddelen gaat. Daarom maken zorgverzekeraars keuzes bij het vergoeden van medicijnen. De meest voorkomende methode hiervoor is het preferentiebeleid. Dit beleid geldt voor medicijnen met dezelfde werkzame stof waarvan meer dan één merk in de handel is. Het betreft de zogenaamde generieke medicijnen die niet meer onder een patent vallen. Zorgverzekeraars bekijken welke merken dezelfde werkzame stof hebben. Vervolgens wijst de zorgverzekeraar het merk van één fabrikant als preferent aan. Alleen dit merk wordt gedurende een bepaalde periode vergoed, andere merken met dezelfde werking niet. Per zorgverzekeraar en per periode kan dat dus een ander merk zijn. Inmiddels wijzen de meeste zorgverzekeraars preferente geneesmiddelen voor 2 jaar of langer aan om op deze manier de noodzaak tot switchen weg te nemen.